Tekst
Molen De Hoop
Fenna had niet veel zin in het schoolreisje naar de molen. "Een molen draait toch gewoon rondjes?" zei ze in de bus tegen haar vriendin Lieke. Maar toen ze voor molen De Hoop stonden, moest ze toch even omhoog kijken. De wieken waren veel groter dan ze had gedacht, en ze zoefden met een zwaar, zuchtend geluid vlak langs de grond.
Molenaar Gerrit wachtte hen op bij de deur. Hij had meel op zijn mouwen en een grote grijze snor. Via steile trappen klommen ze naar boven, tot ze vlak onder de kap van de molen stonden. Daar zat een dikke houten as, die door de wieken werd rondgedraaid. Aan die as zat een enorm wiel met houten tanden. "Dat wiel drijft alles in de molen aan," zei Gerrit, "tot aan de molenstenen beneden toe."
Een verdieping lager zagen ze die stenen draaien. Ze waren zo zwaar als een kleine auto, en tussen de stenen werden graankorrels tot meel vermalen. Fenna stak voorzichtig haar hand in de bak eronder. Het meel was warm, alsof het net uit de oven kwam. "Dat komt door het wrijven van de stenen," legde Gerrit uit. Van dit meel bakte de bakker in het dorp elke ochtend zijn brood.
Buiten liet Gerrit zien hoe hij de molen op de wind zette. Met een groot wiel draaide hij de hele kap met de wieken mee, tot ze precies op de wind stonden. Dat heet kruien, en een molenaar moet daar de hele dag op letten. "Als de wind draait en je let niet op, kan de molen kapotgaan," zei hij. Een molenaar moet de lucht daarom kunnen lezen zoals een ander een boek leest.
Rond 1850 stonden er in Nederland ongeveer tienduizend molens. Nu zijn er nog ruim duizend over, en maar weinig daarvan malen nog echt graan. Veel molens draaien alleen dankzij vrijwilligers zoals Gerrit, die er in hun vrije tijd een opleiding voor hebben gevolgd. Het vak van molenaar staat zelfs op een lijst van de Verenigde Naties met bijzondere tradities die bewaard moeten blijven. "Maar als er geen jonge molenaars bijkomen," zei Gerrit, "staan veel molens straks stil."
Aan het eind liet Gerrit zien hoe molenaars vroeger berichten naar het hele dorp stuurden. Stonden de wieken stil net vóórdat ze rechtop stonden, dan was er iets te vieren. Stonden ze stil net voorbij dat punt, dan was er iemand overleden. Op de terugweg zat Fenna stil bij het raam van de bus. Bij elke molen die ze passeerden, keek ze hoe de wieken stonden. "En?" vroeg Lieke plagend. "Draaien ze nog steeds gewoon rondjes?"
Molenaar Gerrit wachtte hen op bij de deur. Hij had meel op zijn mouwen en een grote grijze snor. Via steile trappen klommen ze naar boven, tot ze vlak onder de kap van de molen stonden. Daar zat een dikke houten as, die door de wieken werd rondgedraaid. Aan die as zat een enorm wiel met houten tanden. "Dat wiel drijft alles in de molen aan," zei Gerrit, "tot aan de molenstenen beneden toe."
Een verdieping lager zagen ze die stenen draaien. Ze waren zo zwaar als een kleine auto, en tussen de stenen werden graankorrels tot meel vermalen. Fenna stak voorzichtig haar hand in de bak eronder. Het meel was warm, alsof het net uit de oven kwam. "Dat komt door het wrijven van de stenen," legde Gerrit uit. Van dit meel bakte de bakker in het dorp elke ochtend zijn brood.
Buiten liet Gerrit zien hoe hij de molen op de wind zette. Met een groot wiel draaide hij de hele kap met de wieken mee, tot ze precies op de wind stonden. Dat heet kruien, en een molenaar moet daar de hele dag op letten. "Als de wind draait en je let niet op, kan de molen kapotgaan," zei hij. Een molenaar moet de lucht daarom kunnen lezen zoals een ander een boek leest.
Rond 1850 stonden er in Nederland ongeveer tienduizend molens. Nu zijn er nog ruim duizend over, en maar weinig daarvan malen nog echt graan. Veel molens draaien alleen dankzij vrijwilligers zoals Gerrit, die er in hun vrije tijd een opleiding voor hebben gevolgd. Het vak van molenaar staat zelfs op een lijst van de Verenigde Naties met bijzondere tradities die bewaard moeten blijven. "Maar als er geen jonge molenaars bijkomen," zei Gerrit, "staan veel molens straks stil."
Aan het eind liet Gerrit zien hoe molenaars vroeger berichten naar het hele dorp stuurden. Stonden de wieken stil net vóórdat ze rechtop stonden, dan was er iets te vieren. Stonden ze stil net voorbij dat punt, dan was er iemand overleden. Op de terugweg zat Fenna stil bij het raam van de bus. Bij elke molen die ze passeerden, keek ze hoe de wieken stonden. "En?" vroeg Lieke plagend. "Draaien ze nog steeds gewoon rondjes?"