Tekst
Keepen met één arm
Het was de laatste week voor de zomervakantie, en Jesse had maar één ding in zijn hoofd: het grote voetbaltoernooi. Hij was de vaste keeper van zijn team en had het hele seizoen geen enkele wedstrijd gemist. Op woensdagmiddag fietste hij nog even naar het skatepark om een nieuwe truc te oefenen. Hij nam een aanloop, sprong op de rand en gleed met zijn skateboard weg. Met een harde klap kwam hij op zijn linkerarm terecht.
Op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis keek een arts naar zijn dikke, blauwe pols. "Daar moeten we een foto van maken," zei ze. In de röntgenkamer moest Jesse zijn arm doodstil op een plaat leggen. Een verpleegkundige legde uit dat röntgenstralen dwars door je huid en spieren gaan, maar dat botten ze tegenhouden. Daardoor zie je de botten op de foto als witte vormen. Even later stond de foto op een scherm, en Jesse zag het zelf: een dun, donker streepje dwars door het bot.
"Het is gebroken," zei de arts, "maar het staat gelukkig nog recht." Daarom hoefde het bot niet eerst rechtgezet te worden. Een gipsverbandmeester wikkelde natte, warme banden om zijn arm, die binnen een kwartier keihard werden. Het gips zorgt ervoor dat de twee stukken bot niet kunnen bewegen. Op de breuk maakt het lichaam dan langzaam nieuw bot, als een soort lijm die steeds steviger wordt. Bij kinderen gaat dat sneller dan bij volwassenen, maar toch moest Jesse zes weken in het gips.
"Zes weken?" riep Jesse. "Dan mis ik het hele toernooi!" De arts knikte begrijpend, maar bleef streng. Als hij te vroeg ging keepen, kon het bot opnieuw breken of scheef aan elkaar groeien. Op weg naar huis zei Jesse geen woord. Hij staarde door het autoraam en dacht aan zijn team, dat het nu zonder hem moest doen.
De eerste dagen waren saai en vervelend. Douchen ging met een plastic zak om zijn arm, en het gips jeukte zo erg dat hij er met een breinaald onder wilde krabben. Zijn moeder pakte de breinaald gauw af. Toen belde trainer Bas. De reservekeeper was pas negen en vreselijk zenuwachtig voor het toernooi. "Wil jij hem helpen?" vroeg Bas. "Jij weet precies hoe je moet staan."
Op de dag van het toernooi stond Jesse met zijn arm in een mitella achter het doel. Hij riep aanwijzingen en klapte na elke redding. Zijn team werd tweede, en de kleine keeper stopte in de finale zelfs een strafschop. Na afloop rende hij als eerste naar Jesse toe. Toen het gips er zes weken later af ging, was zijn arm dun en bleek. Maar dat vond Jesse niet erg, want hij had er een nieuwe vriend bij.
Op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis keek een arts naar zijn dikke, blauwe pols. "Daar moeten we een foto van maken," zei ze. In de röntgenkamer moest Jesse zijn arm doodstil op een plaat leggen. Een verpleegkundige legde uit dat röntgenstralen dwars door je huid en spieren gaan, maar dat botten ze tegenhouden. Daardoor zie je de botten op de foto als witte vormen. Even later stond de foto op een scherm, en Jesse zag het zelf: een dun, donker streepje dwars door het bot.
"Het is gebroken," zei de arts, "maar het staat gelukkig nog recht." Daarom hoefde het bot niet eerst rechtgezet te worden. Een gipsverbandmeester wikkelde natte, warme banden om zijn arm, die binnen een kwartier keihard werden. Het gips zorgt ervoor dat de twee stukken bot niet kunnen bewegen. Op de breuk maakt het lichaam dan langzaam nieuw bot, als een soort lijm die steeds steviger wordt. Bij kinderen gaat dat sneller dan bij volwassenen, maar toch moest Jesse zes weken in het gips.
"Zes weken?" riep Jesse. "Dan mis ik het hele toernooi!" De arts knikte begrijpend, maar bleef streng. Als hij te vroeg ging keepen, kon het bot opnieuw breken of scheef aan elkaar groeien. Op weg naar huis zei Jesse geen woord. Hij staarde door het autoraam en dacht aan zijn team, dat het nu zonder hem moest doen.
De eerste dagen waren saai en vervelend. Douchen ging met een plastic zak om zijn arm, en het gips jeukte zo erg dat hij er met een breinaald onder wilde krabben. Zijn moeder pakte de breinaald gauw af. Toen belde trainer Bas. De reservekeeper was pas negen en vreselijk zenuwachtig voor het toernooi. "Wil jij hem helpen?" vroeg Bas. "Jij weet precies hoe je moet staan."
Op de dag van het toernooi stond Jesse met zijn arm in een mitella achter het doel. Hij riep aanwijzingen en klapte na elke redding. Zijn team werd tweede, en de kleine keeper stopte in de finale zelfs een strafschop. Na afloop rende hij als eerste naar Jesse toe. Toen het gips er zes weken later af ging, was zijn arm dun en bleek. Maar dat vond Jesse niet erg, want hij had er een nieuwe vriend bij.